Ingezonden stuk van J. C. Kerkmeijer (2/2)
in de Nieuwe Hoornsche Courant van 12-12-1916
Dàn eerst ontstaat weder de samenleving, waarin goed werk gevraagd wordt, omdat men met iets anders
niet tevreden is, waarin de vakman zich beijvert om aan deze vraag te voldoen.
Wat baat het ons, of er gelegenheden tot stand komen, waar vaklieden zich kunnen bekwamen, wanneer de
maatschappij niet naar deze ontwikkeling omziet?
Onze omgeving, die een afschuwelijke staalkaart vertoont van de meest uiteenlopende bouw- en
gebruiksproducten, is een afspiegeling van den geest van den laatsten tijd. Het oude moet ons leeren. Op
de schouders van het oude moet het nieuwe staan.
Wij moeten het oude weer met belangstelling leeren aanzien, bestudeeren. Wij moeten onderzoeken, welke
eigenschappen het zijn, die het oude zoo mooi, zoo bruikbaar, zoo gevoelig, zoo solide maakten. Opdat wij
deze eigenschappen in het nieuwe leeren toepassen, zodoende komend tot een eigen jonge kernachtige uiting
van volkswil en volkskarakter.
Daarom is bij mij de vraag opgekomen: kan er niets gedaan worden om het oude dat nog over is, te beschermen,
te sparen?
Hiervoor doe ik een beroep op ieder, die hieraan zijn medewerking wil verleenen.
Van ganscher harte hoop ik, dat dit zeer velen zullen zijn, opdat wij kunnen komen tot het constitueeren
van een lichaam, dat zich ten doel stelt, om de enkele mooie, oude overblijfselen in onze stad en in onze
omgeving in stand te houden.
De regeering zoowel van stad als land, heeft een goed voorbeeld gegeven door hare gebouwen in een goeden
toestand te brengen. Laat ons dit volgen, door hetzelfde te doen met de enkele parculiere gebouwen, die
door hunne aantrekkelijkheid daarvoor in aanmerking komen. Ik acht het van het grootste opvoedkundige
belang, om die enkelingen te behouden en zoveel mogelijk in hun ouden luister te herstellen.
Al wordt dit belang op het oogenblik misschien niet in het algemeen ingezien een later geslacht zal er ons
dankbaar voor zijn, dat wij in deze ellendige tijden nog een open oog behielden voor de geestelijke
schatten, die gevaar liepen in den algemeenen vernielingspoel onder te gaan.
Zij, die hiervoor gevoelen, willen mij zeker wel als bewijs van sympathie hun naamkaartje met adres
toezenden.
Hoe spoediger, hoe liever.
J.C. KERKMEIJER




Nieuws