Uit de voorgeschiedenis van Oud Hoorn (3/8)
Stadhuis
In de 1901-1903 vond een restauratie plaats van de stadhuisgevel, in hoofdzaak bestaande in het van verf
ontdoen van de zandstenen banden, beelden en versieringen. Burgemeester Zimmerman sprak er op 23 december
1901 in de commissie zijn leedwezen over uit dat het werk wegens geldgebrek niet met meer spoed ten einde
kon worden gebracht. ‘Hij had zich afgevraagd of het ook op den weg der Museum-Commissie kon liggen bij
den gemeenteraad aan te dringen op het toestaan van een grooter bedrag in 1902 voor het bedoelde werk,
maar, kennende den toestand der stedelijke finantiën meent hij toch dat dit maar achterwege moet blijven.
De andere leden achten eveneens inmenging der Commissie in deze aangelegenheid ongewenscht restauratie
werd evenwel tot een goed einde gebracht en Brouwer concludeerde: ‘Hierdoor is dit merkwaardig monument
zonder twijfel zeer veel in uiterlijk aanzicht verbeterd; wij spreken den wensch uit dat de thans helder
gele kleur van den steen op den duur niet weder verloren zal gaan door den schadelijken invloed van ons
vochtig klimaat.’
Grote Noord 40 en 61
In 1902 constateerde de commissie geen belangrijke verbouwingen of herstellingen aan antieke gevels in
onze stad. ‘Gelukkig werden ook geen merkwaardige oude bouwwerken gesloopt’. Wel vreesde men voor de
toekomst van het ‘interessant, ofschoon slecht gerestaureerd geveltje’ van Grote Noord 40. ‘Wegens
bouwvalligheid en het verkrijgen eener andere bestemming is afbraak hiervan niet onwaarschijnlijk’. ‘Grote
Noord 40 wacht op eene beslissing omtrent zijn lot’, lezen we nog in het verslag over 1903. Architect Van
Reijendam kon de commissie op 1 juni 1904 meedelen dat dit geveltje, alsmede dat van de Gebr. Bloem aan
het Grote Noord 61, onder zijn toezicht in de oude vorm zouden worden gerestaureerd. Hij oogstte hiermee
applaus. Grote Noord 61 kreeg een nieuwe trapgevel.
Noorderkerk
Kerkmeijer vestigde in 1902 de aandacht van de commissie op de ‘zoo fraaie’ Noorderkerk, die dringend hier
en daar restauratie behoefde. Burgemeester Zimmerman had daarover in het verleden op verzoek van Victor de
Stuers al eens particulier aan de kerkmeesters geschreven; die brief betrof het van verf ontdoen van het
tochtportaal en de wenteltrap, maar bleef zonder succes. De burgemeester achtte thans particuliere en
mondelinge bespreking met de heer Van Hoolwerff, lid van de commissie èn kerkvoogd van de hervormde gemeente,
de aangewezen weg in een poging om iets te verrichten in het belang van een restauratie van de kerk.
Oosterkerk
De Oosterkerk was jarenlang een bron van zorg voor de commissie. In 1903 vestigde Van Hoolwerff de aandacht
op het enig overgebleven gebrandschilderde raam in de Oosterkerk, dat ‘in staat van ernstig verval verkeerende,
reeds lang een punt van bespreking in de vergadering van kerkmeesters is geweest’. Deze hadden een bod van
ƒ 3.000,- op het raam gekregen, alsmede een nieuw venster van gewoon glas. Een deskundige van het
ministerie van binnenlandse zaken, om advies gevraagd, raadde de verkoop ten zeerste af wegens de historische
en esthetische waarde. Daarop hebben kerkmeesters het bod van de hand gewezen, ook nadat het met
ƒ 1.000,- was verhoogd. Inmiddels bleef de toestand van het raam zo slecht, dat een flinke storm
het geheel zou kunnen vernielen. De kerkmeesters hadden nu besloten het raam aan de commissie aan te bieden
in ruil voor een nieuw venster van gewoon glas voor ƒ 550,-. Het aanbod leidde tot een levendige
gedachtenwisseling in de commissie. Omdat niet precies bekend was hoe de toestand van het raam was en in
hoeverre herstelling ter plaatse mogelijk was, werd een commissie van onderzoek ingesteld, bestaande uit
Van Hoolwerff, Kroon, Kerkmeijer en Van Reijendam. Van Reijendam bracht een kleine vier maanden later
verslag uit. Totale vernieling van het raam behoefde zijns inziens in de naaste toekomst niet gevreesd te
worden. Het metsel- en zandsteenwerk was nog in goede staat; bovendien bevond het raam zich aan de kant
van een particulier erf, zodat ‘de kans op breking der glazen door steenwerpen’ niet groot was. De kwestie
bleef rusten tot juni 1904.




Nieuws