De bestuursleden van Oud Hoorn (5):
Willem Alexander Braasem (1970-1974)
Eerder verschenen in Oud Hoorn Kwartaalblad 1997 nr. 1 (maart), pagina 26-28.
Auteur: Leo Hoogeveen.
Leo Hoogeveen
In de vier nummers van het kwartaalblad van ons jubileumjaar 1992 heb ik aandacht besteed aan vier
oud-bestuursleden van Oud Hoorn: Roozen, Drossaart van Dusseldorp, Schermer en Stins. Nu we een lustrum
verder zijn en onze vereniging 80 jaar bestaat wil ik de draad weer oppakken en opnieuw vier
oud-bestuursleden aan de vergetelheid onttrekken. Ook deze keer is de keuze vrij willekeurig.
Bijna tien jaar na zijn overlijden lijkt het gepast de oud-directeur, eerder conservator, van het Westfries
Museum, W.A. Braasem, de rij te laten openen.
Ter aanvulling op de hieraan voorafgaande beknopte biografie uit het boekje, dat in januari 1983 bij het
afscheid van de heer Braasem van het Westfries Museum is uitgegeven, het volgende.
Braasem was van 1969-1972 redacteur van Hoornsignaal, een periodieke uitgave van de Hoornse Gemeenschap.
Van 1984-1987 was hij voorzitter van het college van regenten van het Kerkmeijer-de Regtfonds.
De titel conservator van het Westfries Museum is per 1 januari 1974 veranderd in directeur. Bij zijn
afscheid op 7 januari 1983 werden hem in de raadszaal van het stadhuis aan de Nieuwe Steen door
burgemeester Janssens de versierselen opgespeld behorende bij het ridderschap in de orde van Oranje Nassau.
Op 12 april 1987 is hij in Hoorn overleden.
“Het is een van de zinvolle taken van een historisch museum met een locaal of regionaal karakter om ten
aanzien van zijn activiteiten zo veel mogelijk in te haken bij plaatselijke evenementen die op enigerlei
wijze voeling hebben met de historie van eigen stad of streek. En het was in dit verband dat de leiding
van het Westfries Museum de koppen bij elkaar stak toen haar ter ore kwam. dat een zozeer voor Hoorn’s
geschiedenis geporteerd gezelschap als de vereniging “Oud-Hoorn” dit jaar haar gouden jubileum zal vieren.
Een jubileum dat bepaald het nodige medeleven van de Hoornse bevolking verdient, wanneer men in aanmerking
neemt, dat wat er van Hoorn’s historisch karakter nog behouden is gebleven - en naast het nodige dat reeds
onherroepelijk verloren ging, is dat gelukkig nog veel - in niet onbelangrijke mate is te danken aan de
niet aflatende waakzaamheid der Oud-Hoornaars die steeds op de bres hebben gestaan voor iedere bedreiging
van wat Hoorn nog aan oud stedeschoon heeft te bieden.
Dit alles in aanmerking nemende, meende het Westfries Museum niet beter te kunnen doen, dan als inzet van
de door “Oud-Hoorn” zelf ongetwijfeld nog te organiseren jubileummanifestaties een tentoonstelling te
houden die alvast enige indruk kan geven van het historisch karakter van de stad, zoals dat steeds het
hoofddoel heeft gevormd van de werkzaamheden der vereniging. Een stad met een groots verleden, dat,
hoeveel daarvan in de loop der tijden dan al verloren mag zijn gegaan, nog altijd zijn stempel blijft
drukken ook op het huidige Hoorn van het midden van de twintigste eeuw.”
In zijn eigen, unieke stijl beschreef de nieuwe conservator van het Westfries Museum -Braasem was op 1
september 1969 als zodanig aangetreden- zo in Hoornsignaal van maart 1970 zijn eerste contacten met
Oud Hoorn. In oktober 1969 rijpte bij hem het plan een tentoonstelling te organiseren van Hoornse
stadsgezichten. “Het Westfries Museum bezit een alleszins importante collectie topografische grafiek
(tekeningen. prenten, stadsplattegronden enz.) die echter zelden of nooit onder de aandacht van het
publiek kan worden gebracht’. Hij zag een mogelijkheid dit deel van het museumbezit eens wat meer in de
openbaarheid te brengen en streefde hierbij naar samenwerking met Oud Hoorn. In december had hij
hierover een gesprek met het bestuurslid Peetoom. Braasem memoreerde dat in 1970 juist 90 jaar geleden
het museum voor het publiek toegankelijk werd gesteld. “Dat is dus een soort jubileum waarop we met de
tentoonstelling zouden kunnen inhaken”. Het bestuur nodigde Braasem uit voor de vergadering van 12
januari 1970, waarop de tentoonstelling, volgens het uiterst beknopte verslag, vele tongen in beroering
bracht". Een duidelijke beslissing werd niet genomen en verder is in het archief van onze vereniging
niets te vinden over deze zaak. Kennelijk zag het bestuur hier een mogelijkheid alsnog het 50-jarig jubileum, waaraan in 1967
stilzwijgend was voorbijgegaan, enige aandacht te geven.
Tentoonstelling
Op 6 maart 1970 opende de voorzitter van Oud Hoorn, dr. H.J.C. van Scherpenberg, de tentoonstelling Gezicht op Hoorn in het Sint Jans
Gasthuis 1563, met Hoornse topografica uit het eigen bezit van het museum. Wat behalve de openingshandeling van de voorzitter de
inbreng van Oud Hoorn bij deze tentoonstelling is geweest wordt ook uit het dossier van het Westfries Museum hierover niet opgehelderd.
Wellicht een financiële.
Bij deze gelegenheid werden reproducties voor de verkoop vervaardigd van gravures en tekeningen van H.C. Pot en A. Doesjan. Ook werden
reproducties verkocht van het schilderij van H.C. Vroom uit 1622. In de pers werd deze tentoonstelling in verband gebracht met het
50-jarig jubileum zonder dat er op geattendeerd werd dat dit drie jaar te laat werd gevierd. Het Dagblad voor Westfriesland, dat
vrolijk en onbekommerd schreef over het zilveren jubileum van de vereniging, noemde de expositie een inleiding tot het feest van Oud
Hoorn, dat “op het punt staat gevierd te worden”. “Hoornaren met liefde voor hun stad zullen uit die oude zaken niet alleen een
beeld krijgen van wat er vooral in de laatste eeuw is veranderd - zij zullen vooral herkennen wat is gebleven, zij zullen beseffen hoe
voorzichtig zij moeten worden met een oude stadskern, waarin nog zoveel moois te vinden is”. Het Noordhollands Dagblad citeerde
Braasem, die in zijn toespraak relateerde aan het 50-jarig bestaan van Oud Hoorn. “Uiteraard is deze vereniging mans genoeg om zelf
jubileumactiviteiten op te zetten, maar wij willen ook wat doen als een hommage aan de vereniging. In dit kader is er geen beter
onderwerp dan de topografie van deze oude stad”.
De tentoonstelling in de Boterhal duurde van 7 maart tot 18 mei en trok 2439 bezoekers, die een toegangsprijs van 25 cent betaalden.
Het motto was ‘Drie eeuwen Hoornse historie in schilderijen, tekeningen, prenten en oude stadsplattegronden uit het bezit van het
Westfries Museum te Hoorn’.
Voor de inhoud van de tentoonstelling verwijs ik naar de hiernavolgende tekst van het stencil dat daar verkrijgbaar was,
onmiskenbaar van de hand van Braasem. Van verdere ‘jubileum’-activiteiten van Oud Hoorn in 1970 horen we niets
meer. In 1971 werden in samenwerking met Oud Hoorn voor de verkoop in het museum reproducties vervaardigd van twee tekeningen van
Pieter Aartsz. Blaauw.
Bestuurslid
Braasem werd in de ledenvergadering van 7 oktober 1970 tot bestuurslid gekozen, niet in een vacature, maar als uitbreiding van
het bestuur. Op 16 maart 1974 trok hij zich terug uit het bestuur en werd hij adviserend bestuurslid. De heer A. de Graaf werd tot zijn
opvolger benoemd.
Deze laatstgenoemde schreef op 1 februari 1982 als voorzitter van de jubileumcommissie een bedankbrief aan Braasem voor diens bemoeiingen
inzake de viering van de opening van het 65-jarig jubileum van Oud Hoorn in het Westfries Museum op 15 januari.
Braasem schreef op 9 februari het volgende terug.
"Dank voor Uw brief die me duidelijk maakt, dat de vereniging “Oud-Hoorn" zich met het verleden, om niet te zeggen het
voltooid verleden bezig houdt.
Een hoffelijkheid zoals uit Uw schrijven blijkt, doet in deze tijd niet alleen bijkans exotisch aan, maar onderstreept nog eens op
pijnlijke wijze hoezeer onze samenleving is verarmd ten aanzien van onderling in acht genomen goede manieren en omgangsvormen.
Mocht Stefan Zweig, enige jaren vóór zijn zelf gekozen dood, in zijn boek “Die Welt von gestern” al een nostalgisch licht hebben
geworpen op een tijd die, hoezeer ook gebukt gaande onder sociaal onbevredigende toestanden, in de onderlinge omgang stijl en
stilering bezat, voor ons zijn die dagen zo zoetjes aan wel tot een definitieve “Welt von vorgestern” geworden. Helaas het is niet
anders.
Het is in ieder geval des te verrassender in Uw brief een onwezenlijk vizioen van die ver vervlogen tijden te zien
opdoemen...”
Biografie
Willem Alexander Braasem, geboren te Soerabaja, 23 november 1918,
kwam op 12-jarige leeftijd naar Nederland, waar hij de middelbare
school bezocht. Werd afgewezen voor de opleiding tot marine-officier
in Den Helder. Studeerde Indologie aan de Rijksuniversiteit te
leiden. Specialiseerde zich na zijn candidaatsexamen in de
Indonesische literatuur.
Werkte in 1947 mee aan het verzamelwerk van J. Gouda - Letterkunde
van de Indische Archipel.
Was tot 1958 werkzaam bij de Openbare Bibliotheek in Den Haag.
Vervulde van 1958 tot 1969 de functie van eerste redacteur hij de
kunstredactie van ‘Het Vaderland’.
Daarvoor reeds als los medewerker aan dit dagblad verbonden. Hield
zich voornamelijk bezig met literaire journalistiek, met als
voornaamste specialiteiten Indonesische en Duitse literatuur. Gaf
daarnaast ook algemene cultuurhistorische beschouwingen.
Was van 1969 tot 1983 verbonden aan het Westfries Museum te Hoorn,
eerst als conservator daarna als directeur.
Was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, de
Vereniging van Letterkundigen en het P.E.N. centrum Nederland.
Braasem publiceerde in de eerste jaren na de oorlog in Podium, Vrij
Nederland en de Vrije Katheder, later ook in Maatstaf, De Nieuwe
Stem, de Kroniek van Kunst en Cultuur en in het door Gresshoff
geleide Zuidafrikaanse blad ‘Standpunt’.
Leverde praktisch vanaf het begin bijdragen over Indische en
Indonesische literatuur aan het belangrijkste naoorlogse Indische
tijdschrift, het door R. Nieuwenhuys geredigeerde ‘Oriëntatie’.
Publiceerde daarnaast ook een groot aantal bloemlezingen en studies
over dit onderwerp.
In het midden der vijftiger jaren verwijdde zijn belangstelling zich
tot de literatuur van andere inheemse volkeren in Afrika en Azië.
In het midden van de zestiger jaren volgde een overschakeling op de
Europese cultuur.
Aandachtsgebieden zijn vanaf die tijd de tweede helft van de 19e
eeuw met al zijn cultuuruitingen met het zwaartepunt op de
Oostenrijkse Dubbelmonarchie, het Victoriaanse Engeland en het
Franse Seconde Empire en voorts het Nederlandse stedeschoon.
Tot zijn belangrijkste prestaties op museaal gebied behoort de
opbouw van de verzameling naïeve schilderkunst in het Westfries Museum.
“Gezicht op “Hoorn”
Een van de topstukken van het Westfries Museum - de “Nachtwacht
van het Westfries Museum” zoals het daar in de wandeling wel wordt
genoemd - is het in 1622 door Hendrik Cornelisz. Vroom (1566-1640)
voor de burgemeesterskamer van het Hoornse stadhuis geschilderde
joyeuze zeestuk dat een breed panorama biedt van Westfrieslands
hoofdstad: “Gezicht op Hoorn”. Een schilderij dat de titel
leverde aan de hier gehouden tentoonstelling van topografische
schilderstukken, tekeningen, prenten en oude stadsplattegronden die
tezamen een beeld geven van ruim drie eeuwen Hoornse historie. Naast
kaarten en stadsplattegronden die de respectievelijke uitbreidingen
van de stad sedert de zestiende eeuw laten zien, omvat de expositie
een aantal schilderijen met Hoornse stads- en havengezichten
waaronder vooral die van Klaas Cloek (ca. 1730-1800), Isaac Ouwater
(1750-1793) en A. van Oudewater een beeld oproepen van de
achttiende-eeuwse stad zoals die, bij alle dan reeds inzettende
verarming en verval, er nog kleurig en schilderachtig bij lag.
Onder de rijk vertegenwoordigde topografische grafiek neemt een
interessante collectie van vijfentwintig getekende stadsgezichten
uit 1727 van Cornelis Pronk (1691-1759) een voorname plaats in,
terwijl verder ook de “schipper op het jacht van de koning van
Holland” (d.w.z. koning Lodewijk Napoleon) Pieter Blauw op het
eind van de achttiende eeuw een aantal charmante tekeningen maakte
van het Hoornse havenkwartier en gezichten op de stad vanuit zee.
Het Biedermeier-Hoorn van de eerste decennia van de negentiende eeuw
- met als centraal motief de stedelijke gemeenschap kennelijk diep
beroerd hebbende brand van de Grote Kerk in 1838 - vindt een
nauwgezet en niet ontalentvol uitbeelder in de stadstekenonderwijzer
Paulus Jolly, die ook een geheel getekend album van West-Friesland
samenstelde. Eveneens uit deze tijd (1820) stammen een viertal grote
tekeningen van de vroeger aan het eind van de Grote Oost bij de
Bossuhuizen gelegen Oude Oosterpoort door J.F. Gardner, tekeningen
die zowel artistiek-picturaal als historisch-topografisch hun waarde
hebben.
Adriaan Brouwer (1856-1921), een begaafd dilettant-tekenaar, heeft
in een groot aantal aquarellen het Hoorn van het Fin-de-siècle en
de eerste jaren van onze eeuw vastgelegd, een periode die ook in de
tekeningen en schilderijen van de vermaarde voorvechter voor Hoorns
historisch stedeschoon J.C. Kerkmeijer wordt opgeroepen. Een groot
aantal prenten, zowel 17e- en 18e-eeuwse gravures als 19e-eeuwse
litho’s, besluit deze picturale evocatie van meer dan driehonderd
jaren Hoornse stadsgeschiedenis.

