De bestuursleden van Oud Hoorn (7):
Johan Christiaan Kerkmeijer (1917-1931, 1932-1956)
Eerder verschenen in Oud Hoorn Kwartaalblad 1997 nr. 3 (september), pagina 99-103.
Auteur: Leo Hoogeveen.
Leo Hoogeveen
Op 1 oktober 1997 is het precies honderd jaar geleden dat J.C. Kerkmeijer zich als jeugdig tekenleraar
in Hoorn vestigde. En Hoorn zou het weten!
Ik heb Kerkmeijer persoonlijk nooit gekend.
Ik zat in de eerste klas van een lagere school in Leiden toen hij doodging en was Hoorn slechts eenmaal met
de trein gepasseerd op weg naar een oudtante in Grootebroek, een jaar of vier eerder. Mijn eerste echte
kennismaking met Hoorn was pas in 1975.
Kerkmeijer leerde ik een jaar later kennen in het Koggehuis aan de Westerhaven in Medemblik, waar toen de
archiefdienst was gevestigd en waar nu zijn verre opvolger woont. Bij zijn papieren en die van zijn beide
echtgenotes trof ik onder meer zijn pijp aan, die ik maar aan het Westfries Museum heb gegeven. Waar zijn
legendarische wandelstok is gebleven is mij niet bekend...
Het lijkt onbegonnen werk deze man, die bijna 60 jaar lang op zoveel terreinen van het culturele en
maatschappelijke leven in onze stad een grote en soms beslissende invloed heeft gehad, in het beperkte
kader van dit artikel recht te doen. Kerkmeijer speelde een belangrijke rol in of stond aan de wieg van
een groot aantal Hoornse instellingen: het Tekengenootschap Debutade, het Westfries Museum, de Vereniging
voor Vreemdelingenverkeer, het departement Hoorn van de Maatschappij van Nijverheid, de Ambachtsschool,
de Vereniging Oud Hoorn, de Bouwplancommissie, de Concertvereniging Johan Messchaert, de Vereniging Het
Carillon te Hoorn, het Historisch Genootschap Oud West-Friesland, de Commissie voor de restauratie van de
Noorderkerk, de Commissie voor Landelijk Schoon en de Monumentencommissie, meestal als voorzitter. Als
tekenleraar was hij verbonden aan de H.B.S., de Burgeravondschool en de Stadstekenschool.
Vrijwel alle genoemde instellingen leiden nog steeds een bloeiend bestaan, zij het sommige door
reorganisaties in een wat andere vorm. Voor zijn verdiensten werd hij op 1 oktober 1937, toen hij veertig
jaar in Hoorn woonde, als eerste benoemd tot ereburger van Hoorn, een onderscheiding die sindsdien slechts
aan twee anderen is toegevallen, Bij dezelfde gelegenheid werd hij ridder in de Orde van Oranje Nassau.
Een plaquette in het Westfries Museum (1937), een gedenksteen in de voorgevel van zijn woning Noorderstraat
18a en een zaal in de pas gerestaureerde Statenpoort (1997) houden de herinnering in de stad aan hem levend.
Over Kerkmeijer is nog betrekkelijk weinig geschreven. Enkele kranten- en tijdschriftartikelen, verschenen
bij verschillende jubilea en na zijn overlijden in 1956, geven het gebruikelijke overzicht van zijn leven
en werken en vertellen wat herinneringen en anekdotes.
Over de periode-Kerkmeijer in de geschiedenis van Oud Hoorn heb ik in 1992 al in het kwartaalblad geschreven.
In dit artikel zal ik niet de zoveelste globale levensbeschrijving geven, maar beperk ik mij hoofdzakelijk
tot enkele aspecten van de eerste veertig jaar van zijn leven, toegespitst op zijn bemoeienissen met het
vakonderwijs in Hoorn, dat hij een warm hart toedroeg.
Benoeming in Hoorn
Op woensdag 15 september 1897 om kwart voor drie ‘s middags kwam de gemeenteraad van Hoorn bijeen voor onder
meer de benoeming van een tijdelijk leraar in het hand- en rechtlijnig tekenen aan de hogere burgerschool,
de burgeravondschool en de stadstekenschool. De raad benoemde J.C. Kerkmeijer te Middelburg op een salaris
van ƒ 125,- per maand.
De benoeming was noodzakelijk geworden door het overlijden op 5 mei van Hendrik Vorderman, “een van die
merkwaardige figuren, die, omdat wij jongeren hem van af onze vroegste jeugd hebben gekend, in onze
voorstellingen zoo met het uiterlijk aanzien onzer woonplaats waren saâmgeweven, dat Hoorn zonder hen een
geheel andere stad schijnt te worden, en wier achtereenvolgens verdwijnen ons het klemmende gevoel geeft
van zelf tot de ouderen te gaan behooren, zelf de verantwoordelijkheid te moeten dragen, die we tot nu toe
zoo gaarne en zoo vol vertrouwen op hunne schouders lieten rusten”. Aldus Adriaan Brouwer in de Hoornsche
Courant van 7 mei 1897. Vorderman was sedert 1852 de opvolger van Paulus Jolly als stadstekenonderwijzer.
Beiden waren verdienstelijke tekenaars en schilders, zodat Kerkmeijer een traditie had voort te zetten.
Middelburg en Amsterdam
Johan Christiaan Kerkmeijer werd geboren op 9 december 1875 in Middelburg als zoon van Jan Kerkmeijer bode
bij de provincie Zeeland en Harmina Christina van den Brink. De familie Kerkmeijer was oorspronkelijk
afkomstig uit Apeldoorn; ook zijn moeder, in Warnsveld geboren, stamde uit het Gelderse. Zijn ouders
trouwden in 1869 in Middelburg.
Nadat hij het einddiploma aan de Rijks H.B.S. in Middelburg had behaald, volgde Kerkmeijer van 1892-1896
de opleiding tot tekenleraar aan de Rijks-Normaalschool voor Teekenonderwijzers te Amsterdam, die was
gevestigd in een aantal lokalen van het Rijksmuseum. Hij had een kamer niet ver daarvandaan: in de Jan
Steenstraat 92.
Hij kreeg er les van J. Versluys (meetkunde, doorzichtkunde), J.R. de Kruijff en Jos. Th.J. Cuypers (stijl-
en ornamentleer), L, Beirer (bouwkundig tekenen), J.D. Huibers (handtekenen en schilderen), L .Jünger
(boetseren) en A.R. Cohen (ontleedkunde en ontleedkundig tekenen). Ook dr. Pierre J.H. Cuypers gaf in deze
tijd les aan de normaalschool, maar het is niet zeker of Kerkmeijer ook van hem les gehad heeft.
Hij was in deze tijd volgens eigen zeggen een hartstochtelijk aanhanger van de principes van Berlage. Het
is in het beperkte kader van dit artikel niet mogelijk hier nader op in te gaan. Kerkmeijer heeft relatief
weinig gepubliceerd, maar er is voldoende materiaal voor een studie naar zijn inspiratiebronnen.
Na het behalen van het einddiploma op 13 juli 1895 verwierf Johan Kerkmeijer in september 1895 de akte van
bekwaamheid voor middelbaar onderwijs voor handtekenen en de perspectief en een jaar later die voor
rechtlijnig tekenen en de perspectief.
In de winter van 1896/1897 was hij tekenleraar, de enige en dus tegelijk ook directeur, aan de
Avond-Teekenschool te Amstelveen, waarna hij gedurende het voorjaar 1897 een drietal maanden werkzaam
was als bouwkundig tekenaar en opzichter bij architect J.A. Frederiks te Middelburg. Daar was hij onder
meer betrokken bij de restauratie der Abdijgebouwen.
Kerkmeijer was amateurschilder en -tekenaar. In 1911 werd hij gedurende tenminste vier jaar een zogenaamde
‘correspondentie-leerling’ van prof. Carel L. Dake van de Rijks-Academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Dat wil zeggen dat hij maandelijks werk instuurde dat met correcties, beoordelingen en technische en
artistieke adviezen weer werd teruggezonden.
Naar het teken- en schilderwerk van Kerkmeijer is nog nauwelijks onderzoek gedaan.
Huwelijk
Kerkmeijer heeft in zijn persoonlijke leven veel tragedies gekend. Zijn eerste huwelijk liep uit op een
echtscheiding en hij overleefde zijn tweede vrouw, die slechts 52 jaar oud werd. Het is niet aannemelijk
dat de kinderloosheid van zijn beide huwelijken een bewuste keuze is geweest.
Na zijn benoeming in Hoorn vond hij hier een kamer aan het Kleine Noord 59 boven een rijwielzaak. Later
woonde hij nog korte tijd aan Veemarkt 2, Grote Noord 79 boven en Oude Doelenkade 35.
Hij trouwde op 6 april 1904 met zijn oud-leerling Johanna Wijnanda Bakker, dochter van Dirk Nicolaas Bakker
en Lamberta Mol. Het huwelijk werd op dezelfde dag in de Grote Kerk ingezegend door ds. Tenthoff.
Johanna Bakker was op 6 januari 1881 in Meppel geboren, maar had Hoornse voorouders. Haar vader Dirk
Nicolaas (1840-1928) was commies bij de plaatselijke belastingen en werkte later op het kantoor van de
gemeenteontvanger. Johanna was tweeënhalf jaar toen haar ouders naar Hoorn terugkeerden. Van 1893-1899 was
zij leerling van de gemeentelijke H.B.S., waar zij de laatste twee jaar tekenles kreeg van haar latere
echtgenoot. Na het behalen van haar einddiploma volgde zij een opleiding tot godsdienstonderwijzeres. In
latere jaren werd zij concertzangeres en gaf ook zanglessen. Verder schreef zij gedichten en onderhield
contacten met de dichteres Hélène Lapidoth-Swarth, de schrijver Karel Johan Lodewijk Alberdingk Thijm,
beter bekend als Lodewijk van Deyssel, en met de Noorse schrijfster Ågot Gjems-Selmer.
In 1918 liep het huwelijk stuk en vertrok Johanna Bakker naar Amsterdam, waar ze op 11 augustus 1926
trouwde met Nicolaas Veeken. Op 7 juli 1969 is ze in Amsterdam overleden. Haar huwelijk met Kerkmeijer
werd op 10 september 1925 officieel ontbonden.
Kerkmeijer kocht op 5 oktober 1904 “een heerenhuis met tuin te Hoorn aan de Noorderstraat, op den
kadastralen legger dier gemeente bekend onder sectie B nummer 2787, als huis, erf, groot een are
eenentwintig centiaren”, van Henri François Reinier Dubois, fabrikant te Haarlem, voor
ƒ 5.700,-.
Het huis is gebouwd in 1890.
Op het moment van de koop was het nog verhuurd aan dr. L.T.C. Scheij. Die kocht later het buurhuis
Noorderstraat 18.
Op 15 mei 1905 heeft het echtpaar Kerkmeijer het pand Noorderstraat 18a betrokken. Kerkmeijer is er de
rest van zijn leven blijven wonen.
Het vakonderwijs
Er was Kerkmeijer veel gelegen aan de opleiding van goede vaklieden. Hij had niet veel op met de kunst van
de 19e en begin 20e eeuw, maar was vervuld van een grote bewondering voor de oudere kunst, vanaf de Griekse
en Romeinse tot en met de Lodewijkstijlen. De opheffing van de gilden in 1795 beschouwde hij als de nekslag
voor het gevoel voor kleur, vorm, verhouding en constructie dat de kunst tot dan toe had bepaald. Iedereen
deed daarna maar wat hem goeddunkte, waardoor in zijn ogen een afschuwelijke staalkaart van bouw- en
gebruiksproducten ontstond. Kennelijk zag hij in de ideeën en het werk van Berlage een kentering ten goede.
Hij zocht naar een samenleving waarin goed werk gevraagd wordt, omdat men met iets anders niet tevreden is,
en waarin de vakman zich beijvert om aan deze vraag te voldoen.
“Wat baat het ons, of er gelegenheden tot stand komen, waar vaklieden zich kunnen bekwamen, wanneer de
maatschappij niet naar deze ontwikkeling omziet?”, schreef hij in 1916.
Hij zag de oprichting van Oud Hoorn niet alleen als een belangrijke poging tot behoud van het oude, maar
ook als een stimulans om de nieuwbouw op een beter peil te brengen. Als voorzitter van de Bouwplancommissie
heeft hij op dit terrein krachtig zijn stempel gedrukt.
De Stadstekenschool
De Stadstekenschool is op 2 november 1819 opgericht. Een koninklijk besluit van twee jaar eerder had
bepaald dat in elke plaats van enige omvang zo’n school moest worden gesticht met het doel om “niet alleen
de jeugd, maar ook den handwerksman, onderwijs te doen genieten in de gronden der teekenkunst, bijzonder
in die van het teekenen van het menschbeeld, en in de grondregelen der bouwkunde”.
In 1820 werd de bijna 70-jarige Jan Fredrik Gardner uit Utrecht de eerste stadstekenmeester. Na Jan Willem
Maij (1825-1826) en Jacob Plugger (1827-1830), beiden uit Amsterdam, kwam dan in 1830 Paulus Jolly. Die
kreeg bekendheid door zijn tekeningen van de verbrande Grote Kerk in 1838. Maar met de tekenschool ging
het niet zo goed. Een onderzoek door de raad resulteerde in 1845 in de instelling van een commissie over
de stadstekenschool, die de bestuurstaak van burgemeester en wethouders overnam. Nadat een rekest van
Jolly om vermeerdering van tractement in 1846 was afgewezen nam hij een jaar later ontslag als
stadstekenmeester. Maar hij kwam terug.
Nadat zijn opvolger, Pieter van Metman de Vries (1848- 1849), was overleden, liet Jolly weten opnieuw voor
de Post van stadstekenmeester in aanmerking te willen komen. “Een ongelukkig incident”, waarvan de aard
mij nog niet bekend is, was in 1847 aanleiding voor zijn ontslag geweest. Het stadsbestuur had echter
voldoende vertrouwen in Jolly om hem op 5 juni 1849 opnieuw te benoemen. In oktober 1851 nam hij definitief
ontslag en werd hij opgevolgd door Hendrik Vorderman.
In 1897 werd Kerkmeijer de laatste stadstekenmeester.
Gedurende acht wintermaanden werd op dinsdag- en vrijdagavond van 7-9 uur onderwijs in handtekenen gegeven
op de eerste verdieping van de Waag. Die was voor dat doel verdeeld in een groot en een klein lokaal. In
het kleine lokaal werkten de meer gevorderden aan de hand van gipsmodellen. De beginners tekenden in het
grote lokaal staande aan lange schuin aflopende tafels met platen als voorbeelden: ornamenten, koppen en
tenslotte afbeeldingen van goden en godinnen uit de Griekse en Romeinse mythologie. Dan waren ze rijp
voor het ‘pleisterkamertje’. Er waren geen toiletten.
Kerkmeijer had hulp van de stadsomroeper en aanplakker om de orde te bewaren. Dit zou een van de
stadhuisbodes, Neuteboom of Markus, geweest kunnen zijn. Het aantal leerlingen was beperkt tot 50. Het
grootste gedeelte was tussen de 12 en 16 jaar, ongeveer 20% ouder. Opvallend veel jongens waren in
opleiding als goud- of zilversmid of timmerman. Verder oefenden ze uiteenlopende ambachten uit als
meubelmaker, koperslager, steenhouwer, metselaar. verver, maar ook sigarenmaker, bloemist of koekbakker.
Daarnaast volgde een enkele kantoorbediende, winkelbediende en aanstaande onderwijzer de tekenlessen.
De burgeravondschool
Behalve aan de stadstekenschool gaf Kerkmeijer ook tekenles aan de Burgeravondschool, die op 4 april 1876
was opgericht en gevestigd was in het gebouw van de Oostindische Compagnie aan de Muntstraat 4, waar ook
de gemeentelijke H.B.S. was.
Deze school was bedoeld om ‘jongelieden van den ambachtsstand’ de gelegenheid te geven om een cursus in de
beginselen van wiskunde, natuurkennis en de moedertaal te volgen. Later werden daar andere vakken aan
toegevoegd, o.a. tekenen.
Tweemaal per week gedurende twee uur gaf Kerkmeijer er les in zowel handtekenen als rechtlijnig en
bouwkundig tekenen. De overige vakken waren toen wiskunde, natuur- en werktuigkunde, Nederlands, boetseren
en timmeren.
Reorganisatie in het vakonderwijs
Was de Stadstekenschool overbevolkt, de Burgeravondschool kampte met een gebrek aan leerlingen. Veel
jongelui, die overdag in de praktijk werkten, voelden er weinig voor ook nog eens de hele week ‘s avonds
van 6-9 of 10 uur naar school te gaan. Twee avonden tekenonderwijs was nog wel vol te houden.
Daarom werd in 1899 besloten beide opleidingen te combineren tot één opleiding voor aanstaande vaklieden,
waar les gegeven werd in wiskunde, kennis van werktuigen, natuurkunde, Nederlands, schoonschrijven,
boekhouden, hand- en rechtlijnig tekenen, vaktekenen en kennis der bouwmaterialen. Boetseren en timmeren
vervielen.
De bedoeling was dat de tekenleraar aan de H.B.S. directeur van de Burgeravondschool zou worden. Maar
Kerkmeijer (24) werd voor die functie te jong bevonden. Daarom besloot men de nieuwe gemeentearchitect
Joh. van Reijendam (31) te benoemen tot directeur; Kerkmeijer mocht er leraar worden. Bij raadsbesluit van
12 december 1899 kreeg hij een vaste aanstelling als tekenleraar aan de H.B.S. en de Burgeravondschool met
ingang van 1 januari 1900.
De Ambachtsschool
Na enkele mislukte pogingen kon op 2 december 1912 een dagopleiding voor vaklieden geopend worden in een
nieuw gebouw aan het Keern: de Ambachtsschool. Kerkmeijer was nauw betrokken bij de voorbereidingen en
werd in 1908 voorzitter van de “de Vereeniging tot Veredeling van het Ambacht” te Hoorn. In 1910 is de
naam veranderd in “Vereeniging de Ambachtsschool voor Hoorn en Omstreken”, waarvan Kerkmeijer secretaris
werd. De vereniging was een initiatief van het departement Hoorn van de Maatschappij van Nijverheid,
opgericht op 25 november 1907. Het gebrek aan een praktische opleiding van vaklieden liet zich duidelijk
voelen hij de patroons in de stad. De Ambachtsschool voorzag in deze lacune. Er werd les gegeven in
timmeren, smeden-bankwerken en schilderen. Daarnaast stonden op het rooster vaktekenen, hand- en
handvaktekenen, projectietekenen, materialenkennis, constructieleer, natuur- en werktuigkunde,
stoomwerktuigkunde en, als voortgezet lager onderwijs, rekenen, meetkunde, algebra en Nederlands. Later
kwamen er cursussen bouwkunde, electrotechniek, metaalbewerken, automobielmotoren, motor- en
rijwielherstellen en brood-banketbakken bij.
Kerkmeijer bleef tot 1939 bestuurslid van de Ambachtsschool.
“Ze zeggen wel eens van me, dat ik alleen voor antiek voel, maar dat is niet zoo”, merkte hij in 1937 op.
“Zoo vecht ik op ‘t oogenblik voor een cursus in auto-techniek aan de ambachtsschool. Men moet nu eenmaal
met z’n tijd meegaan”.
De Avondnijverheidsschool
Bij de inwerkingtreding van de Wet op het Nijverheidsonderwijs op 1 januari 1921 verviel de verplichting
van de gemeente tot het instandhouden van een burgeravondschool, geregeld in de wet op het middelbaar
onderwijs van 2 mei 1863. Daarom werd met ingang van 1 oktober 1921 de Burgeravondschool opgeheven en
kreeg Kerkmeijer ontslag als tekenleraar aan die school.
In plaats daarvan kwam er een door rijk en gemeente gesubsidieerde Avondnijverheidsschool onder bestuur
van de Vereniging de Ambachtsschool voor Hoorn en Omstreken.
Bij de opening van deze school, ook gevestigd in de Ambachtsschool aan het Keern, nam Kerkmeijer na 24
jaar afscheid als leraar bij het vakonderwijs. Op verzoek van het bestuur had hij zich niet meer beschikbaar
gesteld als leraar van deze opleiding. Men wilde hem als voorzitter behouden.
De Technische School voor Hoorn en Omstreken, sedert 28 september 1959 gevestigd aan de Johannes Poststraat
71 en sinds 1984 in een tweede gebouw aan de Nieuwe Steen 21, is een rechtstreekse voortzetting van de
Ambachtsschool.
Bronnen
Met dank aan de Gemeentelijke Dienst voor het Bevolkingsregister te Amsterdam, het Gemeente-archief van
Middelburg en het Skandinavisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam voor de verstrekte
inlichtingen.
Archiefdienst Westfriese Gemeenten
- archief Gemeente Hoorn 1816-1949
- archief Burgerlijke Stand Hoorn
- archief Stadstekenschool te Hoorn
- archief Commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs te Hoorn
- archief notaris H.W.J. Sannes te Hoorn, inv.nr. 1185
- archief Nederlandsche Hervormde gemeente te Hoorn
- collectie Kerkmeijer-de Regt
Literatuur
Dit overzicht bevat niet alleen de direct voor dit artikel gebruikte literatuur, maar ook andere
publicaties over Kerkmeijer en de organisaties waarbij hij betrokken was.
Piet Boon, De Collectie J.C. Kerkmeijer, in: Oud-Hoorn 1 (1979) pag. 48.
S.H. Boot, “Oud-Hoorn”, in Heemschut 3 (1926) nr. 3; ook, onder de titel: Hoe Oud Hoorn de stad wakker
schudde voor behoud van waardevol karakter, in: Oud Hoorn 19 (1997) pag. 74-76.
W.A. Braasem, Vereniging “Oud-Hoorn” bestaat al meer dan een halve eeuw. Op de bres voor Hoorn’s
stedeschoon, in: Hoornsignaal, okt. 1970; ook, onder de titel: Oud Hoorn als een Gideonsbende op de bres
voor stedeschoon, in: Oud Hoorn 19 (1997) pag. 30-31.
Dagblad voor Westfriesland 10, 13 en 15-3-1956.
Jac. Groot, J.C. Kerkmeijer, ridder zonder vrees of blaam, in: 100 jaar in Hoorn 1868-1968, pag. 58-59.
Leo Hoogeveen, 75 Jaar Oud Hoorn
1917-1992, in: Oud Hoorn 13 (1991) pag. 108-109.
Leo Hoogeveen, Geschiedenis Oud Hoorn, in: Oud Hoorn 14 (1992) pag. 71-75 en 99-102.
Leo Hoogeveen, Hoorn, deze schitterende stad, zal weer klinken als een klok! Het carillon in de toren van
de Grote Kerk 1939-1983, in: De Grote Kerk te Hoorn. Hoorn 1983, pag. 25-37.
Leo Hoogeveen, Uit de
voorgeschiedenis van Oud Hoorn, in: Oud Hoorn 14 (1992) pag. 28-35 (foutief: 92-99).
Hoorn. Huizen, straten, mensen. Hoorn 1982.
S. van der Laan, De heer en mevrouw Kerkmeijer-de Regt en hun betekenis voor Hoorn en West-Friesland, in:
Oud-Hoorn 10 (1988) pag. 115-116.
W.B.G. Molkenboer, De eerste vijf en twintig jaren uit de geschiedenis van een Amsterdamsche Kunstschool
1881-1906. Amsterdam 1906.
T.R. Mulder, In memoriam J.C. Kerkmeijer (overdruk uit: Nieuws-Bulletin van de K.N.O.B.), in: Jaarverslag
over 1956 van de Vereniging Oud-Hoorn; ook in: Oud-Hoorn 3 (1981) pag. 18-19.
Nieuwe Hoornsche Courant 1 en 2-10-1937
Noordhollands Dagblad 10 en 14-3-1956
J. Onstenk, 1917: bewogen maar kalm, het jaar van Kerkmeijer, in: Oud-Hoorn 4 (1982) pag. 30-34.
Jan Onstenk, Kerkmeijer’s “Historische schoonheid” herdrukt, in: Oud-Hoorn 4 (1982) pag. 71.
Alied Ottevanger, Dick Ket. Over zijn leven, ideeën en kunst. Zwolle/Arnhem 1994.
F.H.A. Rikhof, Inventaris van de archieven van het Rijksmuseum te Amsterdam en zijn voorgangers 1807-1945.
Amsterdam 1989.
C.J. Stins, In memoriam J.C. Kerkmeijer, in: Noordholland 1 (1956) pag. 50-51.
C.J. Stins, In memoriam J.C. Kerkmeijer, in: West-Frieslands Oud & Nieuw 23 (1956) pag. 28-30.
C.J. Stins, Ten afscheid, in: West-Frieslands Oud & Nieuw 21 (1954) pag. 32-34.
75 jaar Technische School Hoorn. Hoorn 1987.
A.G.F. van Weel, De Vereniging Oud Hoorn: Tachtig jaar en springlevend, in: Oud Hoorn 19 (1997) pag. 5 1-56.

