De gebouwen van het Sint Pietershof in Hoorn
Ontstaan, Ontwikkeling en Restauratie
De 19e eeuw
Helemaal zover is het niet gekomen, al maakte men wel een moeilijke tijd door. Eerstens werden op 8 april 1800 al
het meubilair en zilver verkocht, en de bedienden, behalve de concierge, werden ontslagen. De gemeente steunde met
vrijwillige bijdragen, waarbij zijzelf ook crediteur werd, en daardoor ook geen geld uitgaf aan eigenlijke crediteuren,
die de rechten op de gebouwen hadden. De gemeente betaalde eveneens de weekgelden van de proveniers, waarvan er in
1798 nog 46 waren en die in 1832 zijn uitgestorven. Daardoor kwamen er wel verhuurbare woningen beschikbaar, die ook
weer enige inkomenvermeerdering gaven. In 1837 werd Jhr. mr. P. van Akerlaken enig administrateur en in de 25 jaar dat
hij deze betrekking vervulde, zorgde hij er voor dat de zaken zich ten goede keerden. Hij begon met in 1838 een accoord
te sluiten met de crediteuren, waardoor voor de gebouwen althans een klein bedrag aan onderhoud kon worden besteed.
Zijn tweede wapenfeit was om het in 1814 door het Rijk overgenomen dol- en tuchthuis betaald te krijgen. Dat lukte en
in 1848 betaalde het Rijk 7000 gulden. Het geld werd gedeeltelijk belegd en voor de rest gebruikt als afbetaling voor
gemaakte onderhoudswerken. In het hierbij behorende contract wordt ook door het Rijk overgenomen: 'ene inrigting tot
uitdeling van warme spijzen'. Tevens dat de kosten van onderhoud van het spui (uit 1583!) en dienende tot zuivering
der 'geheime gemakken' en riolen van het gehele gebouw, zullen zijn voor gemeenschappelijke rekening van het Rijk en
de administratie van het St. Pietershof. Op de bij dit door notaris Carbasius opgemaakte contract behorende tekeningen,
die bewaard worden in het hulpdepôt van de Rijksarchiefdienst te Arnhem/Schaarsbergen, zien we de oude indeling met
in de N.W.-hoek een ingebouwde spiltrap, die later gesloopt is. Het Rijk betaalde verder geen onderhoud aan schuttingen
en schoeiingen. Alle openingen die in verbinding stonden met het hof moesten worden afgesloten. Zo werd het Vierkant
daardoor Rijksgevangenis. In deze periode heeft men ten noorden van het oude gebouw nog een aanbouw gemaakt, waarin
de gestrafte militairen, de provoosten, tijdelijk werden opgesloten.
In 1848 zijn in de omstreeks 1692 langs het vierkant gebouwde gaanderij acht woningen ingebouwd, de zg. koophuisjes.
Volgens Mr. A. van Akerlaken, in 1873, werden deze huisjes gratis ten gebruike afgestaan aan bejaarde weduwen en
weduwnaars, tegen een inlage van ƒ 60,- waarvoor hun per jaar ƒ 6,- werd uitbetaald: Het gesticht
wordt beschouwd
als eene instelling ter voorkoming van armoede en zal die bestemming in de toekomst moeten behouden. Maar omstreeks
1902 ging men er toe over de huisjes normaal te verhuren. De huisjes waren minimaal van afmetingen en hadden hun
toegangsdeur aan de binnenplaats. Achter deze deur was een portaal met daarnaast een bedstede. In het kamertje van
ca. 3 bij 3 meter was een schoorsteen mantel met aan weerszijden een kast.
Omstreeks 1863 was de huismeester van het hof een zekere Tang. Hij was steenhouwer van beroep en had zijn werk- en
opslagplaats op de zolder boven de vendu-zaal. Vermoedelijk woonde hij aan de Baanstraat.

Schilderij C. P. Visser 1892
In de voorgevel van no. 30 in die straat is nog een gevelsteen van hem aanwezig. Na hem komt de huismeester
Tinkelenberg, die in 1880 wordt opgevolgd door de al eerder genoemde J.V. Meyer. Deze bracht bijkans het hele
Pietershof vrij accuraat in tekening. We hebben er veel en dankbaar gebruik van gemaakt, en zijn tekeningen en
ontwerpen, gemaakt in opdracht van de regenten, dienen met zorg te worden bewaard.
Toen in 1888 de vendu-meester stierf besloot men de zaal in te richten met drie woningen, daar de behoefte aan meer
bejaardenwoningen groeide. Eén van de eerste bewoners van deze woningen was C.P. Visser. Hij maakte van het Sint
Pietershof een aantal schilderijen en tekeningen, waarvan enkele werden tentoongesteld in de 'Boterhal' bij de
'Noordhollandse naïeven' (1972).
Eveneens was in 1888 de huismeester Meyer doende de gaanderijen op te knappen. Daarbij werd ook een aantal consoles
door hem vernieuwd, welke hij voorzag van een jaartal. In dit jaar is een aantal betimmeringen uit de houten zaal,
welke als magazijn werd ingericht, alsmede uit de venduzaal naar het in 1877 gereedgekomen Westfries museum
overgebracht. Ook andere onderdelen en inventarisstukken, waarbij een console uit een der genoemde gangen, waren
hierbij.
In 1894 werd de gang op de verdieping van het gebouw aan het Dal doorverbonden met die van de westvleugel. Twee
jaar later kwamen op de zolder boven de v.m. Venduzaal vier woningen gereed. Daarvoor moest de steenhouwerij dus
verdwijnen. Als laatste feit van deze eeuw kan nog worden vermeld het plan van de architect Stoutjesdijk om de
noordelijke vleugel aan de binnenplaats geheel te verbouwen. Door het overlijden van deze architect ging dit plan
niet door. Hij liet echter wel een tekening na van de toenmalige bestaande toestand, die een goede indruk geeft van
het weliswaar erg verbouwde, oudste bouwwerk uit 1583.




Nieuws