Katholiek Hoorn in de achttiende eeuw (3/7)
Jansenistisch schisma
De juridische kant van het jansenistisch schisma had met bisschopsbenoeming te maken. Volgens de
leerlingen van Jansenius bestonden er nog drie Noordnederlandse kapittels, die het recht van
bisschopskeuze hadden. Rome wees dat recht echter resoluut van de hand. Toen de kapittels toch tot
benoeming overgingen (in 1724 in Utrecht, later in Haarlem en Deventer) was het schisma een feit.
Voortaan bestond in Nederland naast de rooms-katholteke kerk de oud-bisschoppelijke Cleresie. De Cleresie
of zoals zij later werd genoemd de oud-katholieke kerk is klein gebleven. In West-Friesland is slechts
te Enkhuizen een oud-katholieke gemeente blijven voortbestaan. Maar in het eerste kwart van de achttiende
eeuw was het volstrekt onduidelijk wie het zouden gaan winnen: de paters en overige 'roomse' priesters
of de jansenistische wereldgeestelijken. Te meer omdat de laatsten de Staten van Holland op hun hand
hadden. Die zagen wel wat in een nationale Hollandse kerk, die zich aan het gehate Rome niets gelegen
zou laten liggen. De Staten eisten van de jezuïeten dat zij Rome zouden overhalen op hun hand hadden.
Die zagen wel wat in een tòch maar de benoemingen van de kapittels te slikken. Anders zouden zij, de
jezuïeten, uit Holland en Zeeland worden verbannen. De jezuïeten, bijna nog roomser dan de paus,
hielden zich doof en in 1708 werden negentien jezuïetenstaties, waaronder twee te Hoorn, tijdelijk
gesloten. Tien jaar lang konden de gereformeerde predikanten te Hoorn zich in de handen wrijven en de
hemel danken voor de verwijdering, zij het ten langen leste, van deze ergste vormen van 'roomse
superstitie'.

Het enigszins 'swingende' altaar van 'De Drie Tulpen' aan het Achterom. Met enige fantasie is er het grote romeinse voorbeeld, het Berninialtaar in de Sint Pieter, in te herkennen. De barokke expressiviteit van de 'roomse' statie contrasteerde hevig met de soberheid in de protestantse kerken. Wie zich in deze kerk thuis voelde bezat beslist een ander gevoelsleven dan de gereformeerden.
Voor Rome was het intussen een zaak van de hoogste urgentie betrouwbare (dus 'echt roomse') wereldpriesters in de Republiek te stationeren. Leerlingen van Pulcheria waren niet langer in trek. Naar Hoorn werd in 1710 gezonden Johannes Canel, geboortig uit Antwerpen,17 Niet voor niets placht hij onder zijn brieven aan zijn naam toe te voegen 'Collegii urbani de propagandâ fide alumnus'; afgestudeerde aan het (in 1627) te Rome gestichte seminarie voor priesters bestemd voor missiegebieden. Die toevoeging was een soort garantiecertificaat. Bovendien was hij doctor in de theologie.18) Behalve pauselijke geschriften tegen het jansenisme heeft Canel brieven nagelaten die een licht werpen op het wespennest waarin hij verzeild was geraakt.
15 Volgens Persman en Zonjee, a.w., bestond 'Het Klooster' van 1608 tot 1758, 'De Kapel', later 'Het
Lam' van 1623 tot 1773. Volgens Van der Aa, a.w., 314, is 'Het Klooster' gesloopt, 'Het Lam' werd
anno 1844 gebruikt als concertzaal.
16 Het aantal dopelingen in 1707 was relatief hoog. 'Het Lam' had in 1705 19, 1706 22 dopelingen, 'De
Drie Tulpen' respectievelijk 30 en 25, het Nieuwe Noord 21 en 21, de Slijksteeg 6 en 3 dopelingen. In
1714, '15, '16 en '17 'scoorde' 'De Drie Tulpen' 51, 35, 46 en 41, het Nieuwe Noord 15, 11, 15 en 18,
de Slijksteeg scoorde in 1717 9 dopelingen. Bron: de doopboeken van de verschillende staties,
Streekarchief Hoorn.
17 Canel was de zesde pastoor op het Nieuwe Noord sinds de oprichting van de statie. Bisschoppelijk
Archief, nr. 710, Gegevens over pastoors op het Nieuwe Noord.
18 In het archief van St.-Cyriacus bevindt zich zijn bul.




Nieuws