Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Bekijk of download de PDF versie (6.95 MB - Opent in nieuw venster)


NB Alleen artikelen ouder dan een jaar zijn beschikbaar in het PDF formaat!
Download hier de gratis Acrobat PDF Reader.Bekijk ook: Auteursrechten

Kwartaalblad 1980 / 3   blz. 46 - 48

Monumentenzorg in de 19e eeuw

Auteur: Saaltink, H.W.

Bij de voorbereiding van de tentoonstelling, gewijd aan de geschiedenis van de Oosterpoort - reeds besproken in een eerder nummer van "Oud-Hoorn" - kwam een brief aan het licht, die een aardige kijk geeft op wat men zo’n 120 jaar geleden onder monumentenzorg verstond. Bovendien zijn stijl en inhoud van dit epistel zo typisch voor de patriarchale geest van het 19e-eeuwse Hollandse regentendom, dat we niet konden nalaten dit stukje vaderlands proza uit 1861 in zijn geheel weer te geven. Daarbij is het wellicht niet ondienstig het geheel van een korte inleiding te voorzien.

Het schrijven is afkomstig van een zekere G.M. van der L. en gericht aan de Hoornse notabele, Dirk van Akerlaken, op dat moment president van de Arrondissementsrechtbank. Onderwerp is de gevreesde afbraak van de Oosterpoort. De briefschrijver vraagt van Akerlaken te verhinderen, dat de afbraak doorgaat.
Hoogstwaarschijnlijk verbergt zich achter de genoemde initialen Gijsbertus Martinus van der Linden, in die dagen een bekend jurist en liberaal politicus, nu vrijwel vergeten 1).
Hoogstens geniet hij nog enige bekendheid als vader van de eveneens liberale politicus Cort van der Linden, in de jaren van de Eerste Wereldoorlog minister-president. Gijs van der Linden, zoals hij in de wandeling genoemd werd, was een vurig aanhanger van de staatkundige ideeën van Thorbecke en heeft een werkzaam aandeel gehad in diens hervormingen. Bovendien komt Van der Linden in de brief naar voren als een man die niet geheel van humor ontbloot is.

De ontvanger van de brief was Dirk van Akerlaken. Dit was een zo belangrijke figuur in de 19e-eeuwse Hoornse samenleving, dat we wat meer aandacht aan hem moeten wijden. De Akerlakens, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, waren aan het eind van de 17e eeuw via Amsterdam door een paar geslaagde huwelijken in de Hoornse regentenwereld terecht gekomen. En ze zijn daar gebleven tot rond 1900. Dirk was de laatste van zijn geslacht die een belangrijke plaats in de Hoornse society innam. Voor een lid van de familie Akerlaken was dat eigenlijk vanzelfsprekend.
Er was in stadjes als Hoorn niet zo erg veel veranderd door de Omwenteling van 1795, die een eind heette te hebben gemaakt aan de oligarchie, de regering door een beperkt aantal families dus, uit de tijd van de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden. Voor en na 1800 komen we in de leidinggevende funkties dezelfde namen tegen, hoogstens uitgebreid met een paar figuren uit de welgestelde burgerij. En omgekeerd komen we bij de leden van deze families dezelfde opeenhoping van funkties tegen als voor 1795. Dirk van Akerlaken levert hiervan een sprekend voorbeeld.

Ik heb in grote lijnen trachten na te gaan welke ambten hij zoal vervuld heeft. Dat hij president van de Arrondissementsrechtbank was, laat ik buiten beschouwing, omdat we dat als zijn beroep kunnen opvatten. Dirk werd omstreeks 1816 geboren, studeerde rechten aan de Leidse Universiteit en vestigde zich na zijn promotie in 1838 weer in zijn geboortestad.
In hetzelfde jaar al werd hij benoemd tot dijkgraaf en penningmeester van de Baarsdorpermeerpolder en tot molenmeester van de Oosterpolder in Drechterland.
1839: 2e luitenant bij de Schutterij;
1841: lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en auditeur (ambtenaar bij de Krijgsraad) van de Rustende Schutterij van Noord-Holland;
1844: Plaatselijk Ontvanger van Hoorn;
1846: Commissaris over de financiële aangelegenheden en eigendommen van de Hervormde Gemeente;
1847: Waarschap van Drechterland;
1852: Hoofdingeland van hetzelfde Waterschap;
1854: Hoogheemraad van de Hondsbossche;
1857: Curator van de Latijnse School;
1858: Regent van het Protestantsch Weeshuis en lid van de Tweede Kamer;
1860: Commissaris van de Spaarbank;
1862: lid van de Hoornse Gemeenteraad;
1884: lid van de Eerste Kamer;
1887: Regent van de Rijkswerkinrichting.

Tussendoor werd hij ook nog aangezocht om, evenals zijn vader, burgemeester van Hoorn te worden, maar dat sloeg hij af, omdat hij zijn funktie bij de Rechtbank ervoor moest neerleggen en die laatste leverde meer op dan het burgemeesterspostje.

Ik heb hierbij zijn rol bij verschillende culturele en wetenschappelijke instellingen onvermeld gelaten. Maar ook zonder dat is het duidelijk dat het aantal door hem bekleedde funkties en ambten nauwelijks minder was dan dat van zijn 18e-eeuwse voorouders.
Het openbare leven in het 19e-eeuwse Hoorn werd in zeer sterke mate bepaald door figuren als een van Akerlaken. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat Van der Linden zich tot deze Akerlaken wendt. Temeer omdat Van der Linden wist dat de Hoornse president van de Rechtbank zijn politieke opvattingen deelde en een man was met een ruime culturele en historische belangstelling.

Monumentenzorg was in het jaar waarin de brief geschreven werd nog nauwelijks een overheidszaak. Men kan zich afvragen, of er (überhaupt enig besef van de waarde van oude gebouwen aanwezig was, afgezien dan van elitaire zonderlingen als Van der Linden en Van Akerlaken. Een monument werd hoogstens gehandhaafd als het in verband kon worden gebracht met een gebeurtenis uit het verleden, die strelend was voor het nationale zelfbewustzijn. Bij voorbeeld het Prinsenhof in Delft, omdat daar Prins Willem I, de Vader des Vaderlands, vermoord was. Verder liet men oude gebouwen alleen staan, als ze nog gebruikswaarde bezaten. Woon- en pakhuizen, kerken liepen nog geen gevaar, stadspoorten wel. Maar Hoorn, dat zijn bevolking had zien teruglopen van ruim 14.000 in de 17e eeuw tot minder dan 9.000 aan het begin van de 19e eeuw en zijn funktie van regionale hoofdstad verloren had, waardoor veel overheidsgebouwen niet meer gebruikt werden, kende een zeer grote leegstand. Vandaar, dat men hier eerder dan elders geneigd was tot sloop over te gaan. Afbraakmateriaal bracht nog iets op, leeg staande huizen niet.

Daarnaast was men bereid ieder middel aan te grijpen de geknakte welvaart te herstellen. Zo kon afbraak van een poort een betere toegang tot de stad betekenen. Daarmee werd wellicht een verkeersstroom naar de stad geleid die betere kansen bood aan de plaatselijke middenstand. Dus brak men de poort af.

Het is onjuist deze handelwijze vanuit onze eigen tijd te veroordelen. Monumentenzorg bestaat slechts dankzij een welvarende samenleving. Gedurende een groot deel van de 19e eeuw was Nederland arm. Er waren andere, dringender problemen dan de zorg voor wat ons voorgeslacht ons had nagelaten. Monumentenzorg begint ook altijd bij hen die er voldoende geld en vrije tijd voor beschikbaar hadden, mensen als Van Akerlaken en Van der Linden.
De heer met de hoed, niet de man met de pet. Die laatste had al zijn energie nodig het dagelijkse brood op de plank te krijgen. En bovendien beschikte hij niet over de vereiste algemene ontwikkeling. De rest van het verhaal van de Oosterpoort is tamelijk bekend.
De Gemeenteraad had geen bezwaar tegen afbraak. Maar Van Akerlaken en zijn medestanders wisten de zaak tegen te houden. In 1873, 12 jaar nadat de brief geschreven werd, was het toen zeer prille Monumentenzorg bereid een restauratie van de poort uit te voeren, mits de gemeente Hoorn ƒ 600,-- bijdroeg in de kosten.
De gemeente was hiertoe niet bereid, waarop Akerlaken het bedrag uit eigen zak bijpaste en de poort toch gerestaureerd werd.
Na deze inleiding die aan de brief was meer relief kan geven, het stuk zelf. Dit is niet gedateerd, maar zal geschreven zijn omstreeks 1861, want de oudste zoon van Van der Linden die in 1846 geboren is, wordt genoemd als 15-jarige.

Amice,
Ik ben in Hoorn geweest en heb gevraagd, waar woont de president van de regtbank. En toen ben ik naar zijn huis gegaan; het was van onder tot boven digt!, en het was 8 uur in den morgenstond.
Ik ben met enige kinderen voor Uw huis geweest en zij zeiden: “die president schijnt niet vroeg op te staan”. Mijn antwoord was: “hoor eens, schijn bedriegt, want je moet afgedrieduivekaterd vroeg opstaan, als ge hem een knol voor een citroen wilt verkopen.”
En wij gingen en zochten naar Truideman 2) en vonden daarentegen de Oostpoort.
Mij werd toen gezegd, dat de raad, (daar ik bij deze geen epitheton 3) aan geef, omdat het niet eulogisch 4) zou kunnen uitvallen) besloten had die poort voor den grond te gooyen.

- “Hemelsche gereghtigheid Die poort afbreken? En dat waarom; wáárom als ik je vragen mag? - Staat zeker in den weg, man! Staat ze iemand in den weg? He!” - Zoo viel ik tegen den man uit, die er van schrikte.
- Neen mijnheer! Maar ze kost zoveel aan onderhoud; ziet U.
- Aan onderhoud? Daar zie ik niets van; ze ziet er integendeel schaveleunig uit; is Hoorn zo arm, dat ze dat kostbaar stuk niet onderhouden kan. Als het mijn was, zette ik het in mijn porceleinkast; schoon ‘t daar ruim groot voor is.
Maar ‘t zal niet gebeuren man!
- ‘t zal wel gebeuren Meheer!
- ik zeg je van niet; en daar kunt ge nu goedag van hebben.
En mijn zoon 5) zei, (een borstje van 15 jaar, dat zich verbeeldt al drooge ooren te hebben) “maar vader, als de raad het nu toch besloten heeft”. - En ik antwoordde, “dat 's allemaal, ik ga met een staande ziel naar de kerk” - “naar wiens”, vroeg mijn dochter.
- “Och kind, val me niet in de reden, als ik zoo hard op denk.
En zoo gebeurde het, dat wij de menschen “op zagen gaan” naar de kerk; en wij kwamen weer voor Uw huis; en... alles was nog digt; digt als een uitgestorven huis;
- “Vader! De president zal vast vannacht gestorven zijn: het huis is gesloten!”
- “Dat zeker niet, want hij zou niet heen gegaan zijn zonder ons vooruit te berigten. Hij weet te goed, hoe of wij ervan zouden schrikken; - want het is een remarkabele goede kerel.”
- “Hoor eens, dan schijnt hij remarkabel lang te slapen.”
- “Neen weet ge wat Hij is nu in de afzondering; nu prepareert hij zich in stilte voor den kerkgang. Wij zullen hem niet storen.”
En ik stapte daarover een stoep op, waar de meid juist de deur open deed, en zoo met een half oog toe wijzende op Uw huis, zei ik “wel! meisje! de Heer Akerlaken is toch in stad, he?”
- Jawel menheer!
- En welvarend?
- Best in orde mijnheer rond en dik.
“Zie je wel!”, zei ik tegen mijn kinderen, “de arme man zit vast een psalm te lezen of in den Prediker.”
Het rijtuig stond al te wachten en zoo moest ik wegrijden.
- En dan de poort, Vader!
- Ik zal het hem zeggen, als hij straks met de opening 6) in den Haag komt.
En nu komt hij niet!
Nu gaat hij naar de 1e Kamer: en daarom schrijf ik ‘t U. - Zorg voor de poort. Laat dat niet toe, dat men die afbreekt.
- Alles moet maar weg tegenwoordig.
Gelukkig dat het begint te keeren, - dus laten wij ons aangorden en wij krijgen dien iconoclasten 7) wel onder de knie.
Vale. Uw G.M. van der L.



H.W. Saaltink

1) Dank aan de heer Hoogeveen van de Archiefdienst, die de man achter de initialen vond.
2) Truideman: legendarisch figuur uit de 15e eeuw, de eerste, die in Hoorn aan armenzorg deed. Bedoeld wordt zijn afbeelding op een gevelsteen op een huis aan het Grote Oost.
3) Epitheton: versiering.
4) Eulogisch: als geschenk.
5) Zoon: de latere bekende minister-president Cort van der Linden.
6) Opening: opening van de zitting van de Staten Generaal.
7) Iconoclasten: beeldenstormers.

 

  Terug naar vorige pagina

 

Leden van de Vereniging Oud Hoorn ontvangen het Kwartaalblad op het huisadres. Losse nummers, voorzover voorradig, zijn verkrijgbaar gedurende de openingsuren van het Oost-Indisch Pakhuis.

Kwartaalbladen t/m 2000 prijs per stuk € 4,50
Kwartaalbladen 2001 tot nu, prijs voor leden € 4,50
Kwartaalbladen 2001 tot nu, prijs voor niet-leden € 6,00

Vrijwel alle kwartaalbladen zijn in te zien in ons archief in het Oud Hoorn verenigingsgebouw.
Kwartaalblad index 1979 t/m 2004, Arie van Zoonen
Samenvattingen 2002-2013, Frans Zack
Samenvattingen 2014-2020, Ben Leek
PDF versies 1979-2009 en database artikelen beeldbank, Gerard van Stijn